Kia Ora! Zondagavond, half 7. Inclusief deze heb ik nog maar
4 weekenden voor soloromantik* want over
5 weken is Martijn hier en over precies 2 maanden word ik als het goed is weer
in mijn eigen bed in Zwolle wakker. Potverdikkeme, wat gaat de tijd toch verschrikkelijk
snel. Dat geldt vooral ook voor de afgelopen twee weken.
Christchurch &
Fikkie stoken
De twee weekenden na de Bealey Spur tocht heb ik het rustig
aan gedaan wat betreft het bedwingen van bergen/heuvels/verkeersdrempels/eigenlijkalleswaarbijjeomhoogennaarbenedenmoetlopen
want tijdens die tocht had ik bij het afdalen ineens een stekende pijn aan de
buitenkant van mijn knie. Die pijn werd minder zodra ik ff stilstond, omhoog, of
over vlak terrein liep maar direct weer heftiger zodra ik het afdalen hervatte.
En dat bleef zo in de dagen daarna. Volgens Dokter Google een symptoom van een
Lopersknie (ik had toch al zeker 2 dagen op rij een flinke wandeling gemaakt,
hoog tijd voor een blessure dus) en dan moet je kalm aan doen. Omdat ik geen
zin heb in lokale zorgtoestanden heb ik het avontureren dus maar dicht bij huis
gezocht. Daar werd het na 3 maanden ook wel eens tijd voor, eigenlijk.
Voor de buurkids was de vakantie begonnen en op de zondag
moest dit gevierd worden met een flink vreugdevuur. In het weiland direct
achter m’n bungalowtje. Omdat ik ook wel van fikkie stoken hou kon ik het niet
laten om een kijkje te nemen. Op de brandstapel kon ik naast allerlei
ondefinieerbare zaken (sommige dingen moet je niet willen weten) her en der oud
meubilair van Great Granny ontwaren (die zooi heeft hier immers minimaal een
maand voor de deur gelegen dus vrij herkenbaar voor mij) en rondom het vuur
wemelde het van de schreeuwende koters. Daar hou ik dan weer een stuk minder
van. Omdat de kids graag de hele middag met een stok in het vuur wilden porren
en ze dit van Buurman en Buurvrouw niet zonder supervisie mochten doen heb ik
mezelf tot Super Nanny bevorderd. The things you do for a fire. Gewapend met
stok heb ik samen met de jongens urenlang rondslingerende zooi terug in de
brandhaard gedrukt. Heerlijk. Af en toe waren het boeken die verplaatst moesten
worden maar omdat ik het echt niet over mijn hart kan verkrijgen een boek te
verbranden heb ik dit aan de jongens overgelaten. Op een gegeven moment kwam
ook de Dochter even kijken. “Wow, what a big fire! Maybe it will spread and
burn down the flat so you can go home!” Dat geeft goed aan hoe zij over mijn
aanwezigheid denkt.
Later op de middag boven het smeulende vuurtje marshmallows
geroosterd en geconcludeerd dat deze kids het maar mooi voor elkaar hebben,
opgroeien op het platteland van Nieuw-Zeeland, met zicht op de bergen en zoveel
ruimte dat je gerust de hele dag lekker kunt schreeuwen en fikkie kunt stoken
in de achtertuin zonder dat ook maar iemand (op een plaatselijke Hollanderin na
dan) er last van heeft. …. En daarna bedacht ik me dat het wel nog steeds op 10
kilometer afstand van de dichtstbijzijnde supermarkt ligt en had ik weer
medelijden met ze.
Dinsdag de ‘toerist in eigen stad’ uitgehangen en Christchurch-centrum
uitgeplozen. Chillen in een bouwput. Omdat Christchurch nog steeds herstellende
is van de aardbevingen is het centrum vrij onbegaanbaar voor Europese chauffeurs.
Dat komt ook doordat Kiwi’s (en Aziaten!) rijden als ontsnapte Tbs’ers. Ik heb
Scottie dus maar buiten het centrum geparkeerd en een kleine 40 minuten door
Hagley park naar de binnenstad gesjouwd. Super tof om te zien dat de parken
hier vol sportattributen staan (rugbypalen met de kussens er standaard om! En ook
niet een paar maar minimaal zo’n 10 velden achter elkaar!).
Omdat ik nog kan verdwalen in m’n eigen wijk (serieus
gebeurd, er zijn getuigen) ben ik genoodzaakt blindelings te vertrouwen op
Google Maps. Dat werkt niet in een bouwput, heb ik ontdekt. Ik heb die dag
meerdere rondjes om hetzelfde gebouw gelopen zonder het te realiseren totdat ik
me besefte dat de zwervers hier niet per se heel erg op elkaar lijken maar dat
ik gewoon steeds dezelfde zag. Zoveel zwervers zijn er ook niet, trouwens.
Uiteindelijk toch gelukt om de Botanical Gardens en het Canterbury Museum te
vinden (expositie over spinnen, echt iets voor Hester). Ook nog even wat
souvenirtjes geshopt in de re:START mall (winkelcentrum in zeecontainers) en
bijna levensmoe geworden van het gebrek aan fatsoenlijke wandelbroeken in de
vele lokale outdoorwinkels. Kruistocht in spijkerbroek it will remain (dacht
ik, het is uiteindelijk goed gekomen…) en daarna weer al vloekend (op Google
Maps) en dwalend een uur terug naar de auto gelopen.
En toen merkte ik dat ik het even helemaal zat was om al 3
maanden lang continu toerist te moeten zijn. Alles (behalve de kas) is onbekend
terrein, ik weet nergens de weg, moet steeds minimaal een half uur rijden voor
ik in de bewoonde wereld ben, heb niemand die ik even kan bellen voor een bak
koffie en zelfs het communiceren in het Engels was ik even helemaal zat. Ik ben
opgehouden met mensen te vertellen dat ik van beroep docente Engels ben (ik zeg
nu vaak tandarts, daar vraagt gek genoeg echt niemand op door…) omdat het veel
te veel de nadruk legt op mijn accent, grammatica en vocabulaire. Ik ging
steeds vaker praten alsof ik er een cijfer voor zou krijgen en als ik even niet
op een woord kon komen hield ik me maar stil omdat ik geen fouten wilde maken.
Stom, en totaal onnodig ook. Vervolgens thuis in de bungalo-o-ow nog een tijdje
zitten balen en toen mezelf maar weer opgepept en plannen voor het volgende
weekend gemaakt. Zolang ik dan toch toerist ben kan ik maar beter zorgen dat ik
er zoveel mogelijk uithaal! HOPPA! BAM! Omdenken is m’n lust en m’n leven!
Positiviteit brengt je verder!
The We(s)t Coast
& Sandflies
Zo gezegd, zo gedaan. Zondag 24 april in de Japannert
gestapt en de volle vier uur en drie kwartier achter elkaar door naar de
Westkust gereden. Onderweg alleen gestopt voor benzine en snoep. Essentieel.
Laat vertrokken dus ook pas laat in het hostel in Westport gearriveerd. En ik
wist meteen dat het een kwalitatief uitermate teleurstellend hostel was. Een
kamer (hok!) direct naast de keuken en achter de gemeenschappelijke ruimte.
Ergens precies in het midden van het gebouw. Zonder raam. Met een Duitse
kamergenote die zo te ruiken al een flinke tijd aan het backpacken is. Oh, en
een keuken vol Aziaten en Fransen. Ongelofelijk hoeveel mensen er in zo’n
keuken passen. Iets te veel prikkels voor mij in deze situatie. Toen maar weer
achter het stuur gekropen en gillend de zonsondergang tegemoet gereden. Dat
heeft m’n humeur goed gedaan. Vervolgens dichtstbijzijnde tavern binnengestapt
voor een portie pubvoer en een glas wijn, want die had ik wel verdiend vond ik.
Wanneer je in je eentje reist word je in eetgelegenheden vaak in een stoffig
hoekje gedrukt, snap ik ook best, maar leuk is het niet zo’n eenpersoonstafel.
Terwijl ergens voorin de toko op de bar een tegeltje met ‘Enter as strangers,
leave as friends’ stond zat ik totaal onzichtbaar in het verdomhoekje op een
lamsbout te kauwen. Geen vreemdeling bevriend, die avond.
De volgende ochtend vroeg opgestaan en vol gas richting het
noorden gescheurd. Over de meest bochtige weg die er maar bestaat. Strak langs
de kust en flinke rotspartijen dus het uitzicht was spectaculair. Vanwege de
southern alps die de westkust van de oostkust scheiden vangt deze kant van
Nieuw-Zeeland zo’n beetje alle regen op en wordt het hier ook wel de ‘Wet coast’
genoemd. Deze natte toestand zorgt voor tropisch aandoende bossen met enorme
varens en groener dan groene bosschages (mooi woord) en geeft dus een heel
andere plaatje dan de Canterbury plains waar ik het overgrote deel van mijn
tijd hier in verkeer. Omdat het vandaag ANZAC day was (Lest we forget!) stuitte
ik in Karamea op een lokale herdenkingsbijeenkomst (midden op de doorgaande weg…)
Een soort dodenherdenking voor alle Kiwi’s en Aussies die bij oorlogen om het
leven zijn gekomen maar vooral voor degenen die tijdens de eerste wereldoorlog
massaal afgeslacht zijn in Gallipoli (pik je toch maar even mee!). Kiwi’s zijn net
als hun Britse broeders en zusters GEK op herdenkingstaferelen en pakken enorm
groots uit met allerlei rituelen. Uniformen, poppies, kransen, toeters, bellen,
de hele reutemeteut. Bijzonder om mee te maken.
Ten noorden van Karamea over een 14 kilometerlange
onverharde weg naar de Oparara Valley gestuiterd. Vooral op dit soort wegen heb
je Kiwi’s aan je bumper hangen die vinden dat je niet snel genoeg rijdt, ze
HOUDEN hier werkelijk van off-road rijden. Vinden zichzelf ook de beste
off-road coureurs ter wereld, heb ik vernomen. Ik werd zelfs ingehaald door twee
bejaarden in een fokking Nissan Micra. Omdat ik nog steeds ineenkrimp bij
iedere steen die ik tegen de zijkanten en op de voorruit van m’n Japannert hoor
kletteren heb ik het maar gelaten. TOE MAAR, HAAL ME MAAR IN!
Uuuuuuuuurenlang door Kahurangi National Park gedwaald, ver
van alle hordes toeristen. Hier waren alleen Kiwi’s en ik. Prachtige
naambordjes (zie afbeelding), heel veel verschillende vogelsoorten tegengekomen
en mezelf flink in het zweet gewerkt.
Toen ik eind van de middag weer bij de
auto aankwam en m’n wandelschoenen voor gympen verruilde werd ik ineens van
alle kanten aangevallen door kleine zwarte vliegjes. Daar had een belletje
moeten gaan rinkelen maar dat gebeurde helaas IETS te laat. SANDFLIES! Snel de
autodeur dicht gedaan maar het was al te laat, ze hadden mijn blote enkels al
gevonden en probeerden en masse al het bloed uit m’n aderen te zuigen. Modderfokkers.
Gelukkig zijn Sandflies tergend traag dus je kunt ze eenvoudig vermoorden
(bloedsporen galore nu in m’n scheurijzer) maar je mist er altijd een paar, zo
bleek. Ik ben vrij bekend met kleine stekende zwarte vliegjes (mietsen in
Nederland, midges in Schotland) maar niets komt ook maar enigszins in de buurt
van de terreur van Sandflies. Ik word nu, 6 dagen later, NOG STEEDS gek van de jeuk.
No kidding. Mooie anekdote ook om de reputatie bij de locals te onderstrepen
vond de volgende dag plaats. Toen ik na het verkennen van de Hokitika Gorge
terug bij de parkeerplaats aankwam en daar een tweetal zojuist arriverende
locals aantrof was het gesprek (en het bezoek) snel teneinde toen het woord sandflies
viel. Zij vroegen hoe ver het was naar de gorge, ik zei dat het zo’n 15 minuten
lopen was maar dat er wel wat sandflies waren waarop zij antwoordden met ‘Oh,
Hell no!’ en ze allebei als de sodemieter weer in de auto sprongen om
vervolgens met gierende banden het terrein te ontvluchten.
Zonde, want het was echt bijzonder indrukwekkend, die
Hokitika Gorge!
Die avond mezelf weer mee uit eten genomen (veeeeeeel te
druk in het hostel) en dit keer geweigerd weggestopt te worden (Nobody puts Lok
in the corner!) dus uitermate tevreden met mezelf aan een vierpersoonstafel een
flinke burger weggekaant. Ik had inmiddels een nieuwe Duitse kamergenote en
deze heeft in de twee dagen/nachten die we in dezelfde kamer hebben
doorgebracht het bed alleen verlaten om buiten een peuk te roken en naar de
plee te gaan. Daar deed ze niet eens geheimzinnig over. Het was immers een
kutdorp, een kuthostel en een kutleven. Ik heb nog aangeboden om net zolang een
kussen op haar gezicht te drukken tot ze uit haar lijden verlost zou zijn, maar zo erg was het dan
nog weer net niet, begreep ik.
Woensdag afscheid genomen van mijn depressieve kamergenote
en een ochtendwandeling over Cape Foulwind naar een zeehondenkolonie gemaakt.
Daar een buslading Britse tienermeiden met blote tieten aangetroffen die heel
graag op de foto wilden met ontbloot bovenlijf en zeehonden op de achtergrond.
Om naar hun moeders te appen. Ik geloof dat de zeehonden het niet zo erg
vonden. En de chauffeur van de bus al
helemaal niet.
En toen weer dik vier uur en drie kwartier, via Arthur’s
Pass, terug naar m’n bungalow gereden en lekker twee afleveringen The Bachelor
gekeken. Helaas is de stiefmoeder van The Bachelor klant bij de bloementoko van
m’n baas en weet ik dus al hoe het afloopt, toch MOET ik het afzien. Ik kan
niet anders.
Zowel donderdag als vrijdagavond de hort op geweest.
Donderdag met collega’s naar Kiwifilm The Hunt for the Wilderpeople, in het
kader van mijn integratie. Vrijdag met
opa, oma en de Hollandse vrouw sjiekdefriemel uit eten geweest bij Roots, in
Lyttleton. Vorig jaar uitgeroepen tot Nieuw-Zeelands beste restaurant. 5
gangen diner en een kaasplankje. Je kunt mij niet gelukkiger krijgen. En daar
ga ik het voor nu bij laten.
Oh, en nog wat foto's dan maar...
Oparara Valley:
Punakaiki:
Hokitika (gorge):
* = Dit dubieuze woord dank ik aan een Duitsin die het op
haar arm heeft laten tatoeëren. De uitleg erbij is dat je in je eentje, tijdens
het avontureren, soms van die volmaakt gelukkige momenten hebt waarin alles op
de wereld even helemaal perfect is. Vond ik mooi. Ook al is het Duits.






Geen opmerkingen:
Een reactie posten